Het water van de rivier volgde zijn eeuwige gang. Herfstbladeren in aardetinten dreven mee op de stroom of strandden achter riet en dode takken. De herfstlucht was zwaar en donker als lood. Ver weg krijste een enkele hongerige meeuw schril in haar zoekvlucht naar voedsel.

De man en de jongen op de steiger tuurden roerloos naar de toppen van hun hengels, die in hun weerspiegeling op het water sidderden als slangen. Twee generaties naast elkaar, als in een levend schilderij gevangen, tegen het lichtdoek van een vroege herfstochtend.

Zonder dat de top van zijn hengel daar aanleiding toe gaf, sprong de jongen van twaalf plotseling op en begon uitbundig de lijn van zijn hengel op te winden. Het ratelen van de vismolen drong vervreemdend door in de rust van de ochtend.

De man naast hem keek even op en legde vervolgens zijn kalme, afwachtende blik weer neer op het topje van zijn eigen hengel. De jongen had inmiddels de visloze lijn opgerold, controleerde het aas en zag dat alles er nog aan zat.

Hij zwaaide zijn hengel naar achter en gooide met een ferme worp haak, aas en lood meters ver het water in. De kringen waar het lood in het water was gekomen waaierden uit en kwamen tot rust, de rivier stroomde gestaag verder en het bijna statische levende schilderij “Generaties tegen herfstlucht” kreeg weer vorm.

Maar niet voor lang. Na een minuut of vijf verstoorde de kleine jongen opnieuw de evenwichtigheid van de compositie en haalde gejaagd de lijn van zijn hengel in, weer zonder enig duidelijk teken dat er een vis gebeten zou hebben.

Het geluid van de molen ratelde over het water. De man naast hem keek even met een kalme blik naar de spuchten van de jongen en concentreerde zich vervolgens weer in alle rust op zijn eigen hengel. De jongen zag dat het aas nog aan de haak zat en gooide weer in.

Het levende schilderij nam weer vorm aan. Maar ook nu weer niet voor lang. De jeugdige onrust in zijn lijf en de vrees dat het aas van zijn haak was gevallen waardoor hij geen beet zou krijgen, zetten de jongen er weer toe aan in te halen. Maar ook nu zat het aas er nog steeds aan.

De oudere man naast hem draaide zich nu naar hem toe. “Ik was vroeger ook altijd zo ongedurig. Met alles. Maar geloof me, als je weet, waar het ook voor is, dat je voorbereiding goed is geweest, hoef je daarna alleen nog maar in alle rust af te wachten.”