Het voorkomen van de oude vrouw was breekbaar haast. Traag schuifelde ze over het trottoir en drukte zich dicht tegen de gevels van de winkels. Alsof ze in de statigheid van de huizen een stuk veiligheid vond tegen de gevaren van de straat.

In haar handen bungelden twee boodschappentassen die haar in haar wankele gang in balans hielden. Andere wandelaars liepen gejaagd door tijd  en hun eigen besognes, aan haar voorbij. Zelf leek ze nauwelijks gehaast.

Ze scheen zich neergelegd te hebben bij de fysieke beperkingen van haar hoge leeftijd en droeg die met de zachtaardige blik van berusting, en de dunne glimlach van iemand die het kleine geluk heeft leren te waarderen. Zoals wandelen op een dinsdagmiddag in het lauwe licht van een dunne herfstzon.

De jongeman die uit tegengestelde richting kwam drong mijn blikveld binnen toen hij ruw tegen de vrouw botste en haar kleine geluk bruusk aan gruzelementen stootte. Zonder omkijken liep hij door. De handen diep in zijn baseball jack, de blik ongeïnteresseerd en zijn gehoor afgesloten door een bovenmaatse koptelefoon.

Wat er vervolgens gebeurde was een vreemde gewaarwording. Even werd de tijd stroperig, alsof ik keek naar een film in slowmotion. Aan mijn linkerkant kant slofte de jongeman arrogant door zonder om te kijken naar de bejaarde vrouw, aan mijn rechterkant leek de vrouw heel langzaam te beseffen waar de duw vandaan was gekomen.

Ze zette de twee tassen op de grond, enkel door haar kromme rug eenvoudigweg zo’n tien centimeter  krommer te maken, kwam weer wat omhoog, draaide zich langzaam om en kreeg haar weglopende belager in het vizier. En daar stopte het deel in slowmotion.

De mond van de vrouw ging open en er brak een stortvloed aan verwensingen uit haar los die onophoudelijk leek en uit elke vezel van haar lichaam kwam. Drieletter woorden, en woorden als “asociaal” en “schoft” caramboleerden krachtig tegen de gevels.

Een leven lang aan opgekropte frustraties over maatschappelijke lompheid en onfatsoen brak door haar dam van zachtaardigheid en stroomde daar op die herfstdinsdag volledig leeg. Een  jonge vrouw naast me straalde. “Ik hoop dat ik als ik zo oud ben nog zoveel passie heb”, zei ze.

Samen zagen we hoe de bejaarde vrouw zich op de hoek van de straat nog één keer omdraaide en met al haar kracht nog een keer uithaalde. “Asociale lul”.

Maar de jongeman was inmiddels al lang opgegaan in het straatbeeld.