Hoever gaat het geloof in je eigen kind? Hoelang blijf je er van overtuigd dat jouw kind de nieuwe Rachmaninov is? Terwijl zelfs de nauwste familieleden het niet meer trekken om zonder opzichtig geeuwen en andere zichtbare sporen van uitputting door auditieve mishandeling, te luisteren als jouw kind voor de zoveelste maal, met telkens weer dezelfde fouten, “Mieke heeft een lammetje” uit de piano probeert te rammelen? 

Hoelang duurt het voor je erkent dat al die talenten die jij graag in jouw kind zou zien, geen deel uitmaken van het genetisch pakket van je kroost?

De moeder droeg duidelijk de gezichtgegroefde sporen van een moeilijk leven. Of ze het geloof in de vermeende kwaliteiten van haar zoon die in de treincoupé tegenover haar zat, helemáál verloren was weet ik niet. Wel dat de twijfel eraan zeer dicht aan de oppervlakte lag. 

De zoon, een jaar of dertig, had zijn dochtertje van drie op schoot. Het meisje zong: “Koetje, koetje waar bèèèèèn je?” Doodserieus wees haar vader naar een flat in de verte. “Kijk, daarboven wonen de koeien. Op 1-hoog.” 

De moeder schudde verontwaardigd  haar hoofd. “Kun je nooit ‘s serieus zijn? Wat voor referentiekader van de maatschappij geef je je dochter mee. Koeien die in flats wonen! Word toch ’s volwassen.”

Het was even stil. “Ik heb mijn computer laten maken door…”, zei de moeder en noemde een naam. Haar zoon reageerde meteen. “Maar die is homo! Bij hem zelf is een draadje verkeerd aangesloten en hem laat je je computer maken met al die draadjes?”

De vrouw haalde diep adem. Het geloof in de werkelijkheidszin van haar zoon wankelde overduidelijk. “Homo, wat maakt dat nou uit. Je moet iedereen in zijn waarde laten. Hoe vaak heb ik je dat niet gezegd?”

Het was weer even stil. De moeder begon te glunderen. “Ik ben naar een tentoonstelling geweest van Kandinsky. Ontroerend mooi.”

De zoon trok zijn wenkbrauwen op. “Wie?” “Kandinsky, de schilder.” De zoon lachte schril. “Kunstenaars zijn idioten. Kijk naar Mondriaan. Gooit drie kleuren op een doek en wordt schatrijk. M’n neefje van zes kan ’t nog beter.”

De trein had inmiddels het eindstation bereikt. De moeder wreef even kalmerend over haar slapen. “Ach ik moet ook niet met jou over zulke dingen praten. Kunst is aan jou niet besteed.” 

Toen ze naar buiten liepen wees de zoon op een poster van een half naakt model. “Zo’n vrouw, dat is pas kunst”, zei hij en lachte weer schril.

Zijn moeder bleef staan, sloot even haar ogen en zuchtte diep.