We hebben er allemaal wel een mening over, reïncarnatie. Voor veel mensen is het ondenkbaar dat hun overleden norse, altijd vloekende buurman nu ergens dartel rondhuppelt als lammetje. Voor hen is de mens niet meer dan een optelsom van chemische processen, die na de dood nog even doorpruttelen, om vervolgens voor altijd stil te vallen.  

Anderen zijn als de dood om een vlieg neer te meppen in de vrees daarmee abrupt het nieuw verworven leven van een overleden dierbare wederom om zeep te helpen.

En dan zijn er nog de twijfelaars, die het allemaal nog niet weten of we na dit leven een herkansing krijgen om onafgemaakte zaken post mortem alsnog tot een goed einde te brengen.

Hoe dan ook, de mogelijkheid van een stoffelijke reprise van een afgesloten leven houdt de gemoederen bezig.

De vrouw waar ik deze week naast zat bij een bushalte, was absoluut geen twijfelaar. Ze zal in de zestig zijn geweest en was aan haar doorgroefd gelaat te zien, niet erg mild door het leven behandeld. Sommige mensen zitten nu eenmaal altijd in de hoek waar het leven klappen uitdeelt.

Alles aan haar wekte de indruk dat zij die hoek maar al te goed kende. Toen ik aan kwam lopen zag ik haar met haar handen uitbundig bewegingen maken en ook haar mond stond niet stil. Ze richtte zich naar niemand in het bijzonder, al trok ze wel de nodige aandacht van passanten. De woorden die ze prevelde leken meer op een interne dialoog, dan dat ze voor iemand waren bedoeld.

Ik ging op een bank naast haar zitten. De ene bus na de andere stopte en vertrok. Kennelijk had zij haar voorlopige bestemming bereikt, want ze  sloeg absoluut geen acht op de bussen en de aanduidingen van hun bestemmingen.

Waar ze wel met een spichtige, venijnige blik op loerde was een dikke grijze stadsduif, die er kennelijk aan gewend was geraakt dat busreizigers nogal eens wat etensresten achteloos wegkwakken als hun bus arriveert. Deze duif had duidelijk haar zinnen gezet op een paar gemorste frieten die onder de bank  lagen waarop de vrouw zat. 

Herhaaldelijk streek de vogel voor haar voeten neer maar de vrouw joeg hem getergd telkens weer weg. Toen de duif in haar zucht naar 'patatje-mèt', opnieuw voor haar voeten neerstreek, sprong de vrouw ineens wild op en schopte venijnig in de richting van de vluchtende vogel.

Met bitse stem sneerde ze het beest na: 'Kun je me verdomme zelfs nu je dood bent nog niet met rust laten?'