Als de kalender is uitgedund en de resterende bladen geslonken zijn tot enkele, word ik elk jaar weer onrustig. Dan bekruipt me een gevoel alsof mijn tijd opraakt. Mijn eerste impuls is dan dat ik alles wat ik nog wil doen, in die paar dagen die het jaar resten wil proppen.

Maar meteen zie ik dan het volkomen onmogelijke daarvan in en houd me voor dat kalenderdata slechts een afspraak zijn die we met elkaar hebben gemaakt. En dan temper ik het vuur in mij door terug te kijken.

Ik ben een verwoed verzamelaar van notitieboekjes en aantekeningen, dus de tijd terughalen is doorgaans niet zo moeilijk. En toen ik vanmorgen door de vele notities bladerde viel mijn oog op de aantekening: “Man met brief.”

En daar was hij weer. Hij maakte zich los van het papier en wandelde mijn hoofd binnen, helder en duidelijk alsof ik hem vandaag had ontmoet. Terwijl de werkelijkheid ons inmiddels decennia scheidt.

Donkere winterochtenden en het Roermondse station zijn het decor waarin mijn herinnering hem plaatst. Een onopvallende man, rond de zeventig, een donkere eenvoudige halflange jas en een ingekeerdheid die hij als vanzelfsprekend met zich meedroeg.

Elke ochtend namen we gelijktijdig de eerste trein naar Nijmegen. Uiterst rustig stapte hij dan in en liet soms anderen galant voorgaan. Als hij ging zitten hield hij zijn jas aan en staarde de eerste tien minuten alleen maar uit het raam.

Daarna ging zijn hand steevast naar de rechter jaszak en haalde er een brief uit. Uiterst beheerst haalde hij de brief uit de envelop,  vouwde hem open en las hem, met een strakke blik die geen enkele aanwijzing verried over de mogelijke inhoud. Elke ochtend weer opnieuw.

De brief was beduimeld en sleets en ik weet niet hoe vaak gelezen. Als hij klaar was staarde hij met de brief op schoot lang naar buiten. Dan vouwde hij hem dicht, stopte de envelop weg en verzonk weer in zichzelf.

Twee maanden lang elke ochtend hetzelfde ritueel, elke ochtend dezelfde brief. Daarna was hij ineens verdwenen en heb ik hem nooit meer gezien.

Waarom de “man met brief”, zoals hij in mijn notitieboekje staat, ineens weer opdoemt? Ik weet het niet. Was de brief zijn eigen manier om greep te houden op de verglijdende tijd?
Of is het omdat zijn verschijning eigenlijk een universeel beeld is en we allemaal, ieder op zijn eigen manier, altijd weer onze eigen brief meedragen en herlezen om onszelf telkens weer te herinneren aan wat we achterlaten in de tijd.