Het oude kerkhof in Larragh. Een eeuwige Ierse wind slijt er de tijd glad en schuurt de grafstenen naamloos. Schapen met vuil geklit haar houden het gras tussen de graven kort. De oude fragiele vrouw was me niet opgevallen.

Tussen de melkwitte mistslierten die de graven met elkaar verbonden, had haar gebogen gestalte geleken op die van een van de schapen. Pas toen ze moeizaam haar lichaam rechtte viel ze me op. 

Zo op een afstand zag ze er even vergankelijk uit als haar omgeving, maar toen we elkaar naderden zag ik duidelijk de taaie en pezige trekken van een vrouw die een verbond heeft gesloten met het leven.

Twee keer per dag, zo vertelde ze me, maakte ze de gang naar dit verlaten kerkhof. Het was een belofte die ze haar man acht jaar daarvoor op zijn sterfbed had gedaan. Ze had hem langzaam en pijnlijk zien vervagen op de velden van de dood.

Hoewel de geest van het onvermijdelijke tergend langzaam rond zijn bed bleef dralen, had haar man niet de tijd gevonden om zich met zijn lot te verzoenen. Angstig voor het onbestemde had hij zijn vrouw in zijn laatste uren een belofte laten doen. Zij hield er zich nu al acht jaar aan. 

Ze vertelde me dat het vooral de duisternis van het graf was geweest die haar man zo angstig had gemaakt. 

Dat was de reden dat ze haar belofte dagelijks gestand deed en naar zijn graf kwam om zijn angst te verlichten: 's avonds om de twee kaarsen aan weerszijden van zijn zerk aan te steken en 's morgens om ze uit te blazen.