Achter het huis waar ik woon ligt een groot grasveld. De Roer stroomt er gestaag aan voorbij. Net als de seizoenen die het grasveld telkens weer een ander aanzien geven. Op dit moment zijn nog steeds de wonden te zien die een storm nog niet zo lang heeft geslagen in het groen rond het veld. 

Een enorme, meer dan een meter dikke wilg die vele decennia de Roer aan zich voorbij heeft zien trekken, die generaties kinderen in zijn takken heeft gedragen en heel wat stormen heeft weerstaan, lukte het deze keer niet de krachtige voorjaarswind te trotseren.

Ik heb hem zien breken. Als een rietstengel. Hij viel met een oerschreeuw. Niet met het langzame, huilende gekraak waarmee bomen vaak tot de laatste snik vechtend, beetje bij beetje neerzijgend hun einde tegemoet gaan. Deze wilg gaf het ineens op. Zomaar, op een herfstachtige zondag in het voorjaar.

Met één korte felle kraak, als het geluid van een geweerschot. Op datzelfde moment zat ik te schrijven. Achter mijn bureau, voor het raam dat uitkijkt op het parkje. De woedende wind buiten, binnen het zachte, rustgevende geluid van de toetsen van mijn laptop. Toen slaakte de boom zijn wanhoopskreet.

Ik keek op en zag nog net hoe De Wilg neerstortte op aarde. Op diezelfde grond die hem zoveel  jaren heeft gevoed en die hij jaar na jaar heeft toegedekt met  de kleurendekens van zijn bladeren. Die zompige grond waarin zijn wortels diep steken en die hem houvast heeft geboden in zijn reis door de tijd.

De snelheid waarmee zijn leven eindige verbaasde me. Als ik me bomen voorstel die omwaaien, dan zie ik dat in gedachten altijd gebeuren in slow motion. Langzaam en statig. Maar niet De Wilg. Alleen nog het korte geweerschot van zijn brekende stam, en hij lag.

Ik loop regelmatig aan zijn gevallen lijf voorbij als ik zelf even de wind door mijn kruin wil laten waaien. Delen van zijn gebroken armen liggen op de grond of hangen lusteloos in het water van de Roer. Het naakte hout op het breukvlak heeft inmiddels een onnatuurlijk witte kleur gekregen, als die van een lijkwade. De kern is zacht en vermolmd en toont dat het De Wilg zijn tijd was toen hij viel.

Maar vanochtend zag ik dat op de stomp van zijn stam die nog in de aarde staat, nieuw fris groen aan het uitbotten is. Kennelijk heeft ook de natuur weet van de verrijzenisgedachte achter het paasverhaal.