Konijn / Column ‘Van Bergen’, Dagblad de Limburger, 24 maart 2012

Konijn

Er is een plek in mijn geheugen waar ik regelmatig naar afdwaal in mijn gedachten. Fysiek is zij al lang ingehaald en uitgewist door de tijd en de sloophamer, maar als herinnering is zij voor mij nog net zo levendig als toen. ‘Toen’ is eind jaren zestig, toen Ramses Shaffy zong over ‘Sammy’ en Percy Sledge de wereld verrijkte met ‘When a man loves a woman’. Zelf wist ik in die tijd nog weinig van de liefde, ik was tenslotte pas zeven. Ravotten en ‘kuiten’ hadden meer mijn aandacht. En de plek die ik nog altijd meedraag in mijn hoofd was daar geliefd speelterrein voor.

Zij lag achter de oude tunnel. In die wijk lagen destijds lage eengezinswoningen; vier witgekalkte wandjes van betonplaten met daarop een dak van golfplaten. Ze waren er in de jaren na de oorlog neergezet als noodwoningen. Op de grens van die woninkjes van de nieuwe tijd en de oude stadse grandeur van voor WOII, lag een oude, door onkruid overgroeide tennisbaan; een artefact van vergane glorie. Eromheen stond een oud hekwerk waarvan het gaas was doorgeroest. Als je je daar doorheen wurmde stapte je een andere wereld binnen. Er hing een waas van een rijk vervlogen verleden, dat mijn fantasie aanspoorde.  Terwijl mijn witte gymschoenen rood kleurden van het sloffen door het stoffige gravel, zag ik in gedachten mannen en vrouwen in smetteloos witte kleding tennis spelen en hoorde ik het zorgeloze schaterlachen en het klinken van glazen van feestende rijken. Zoals ik dat kende uit de sprookjesboeken die ik las en uit de mierzoete Sissi-films van toen.

Maar de oude tennisbaan riep ook op tot avontuur. Door omgevallen bomen, welig tierend gras en woekerend onkruid was het een stuk grillige natuur, midden in de wijk. Ook liepen er konijnen. Toen ik op een dag hoorde dat je een konijn zou kunnen vangen door hem zout op de staart te leggen, kocht ik met twee vriendjes een pak zout en togen we naar ons ‘oerwoud’ om op wild te jagen. We namen alledrie een handvol zout en slopen door het woud van onkruid. En toen ineens schoot er een konijn weg, recht voor mijn voeten. Het duurde een paar seconden voor het tot me doordrong. Alsnog gooide ik het zout; naar een schim, want het beest zelf was allang verdwenen. Later zou ik leren dat dat moment haast een metafoor was voor het leven, waarin we soms vurig naar iets verlangen, maar er overheen kijken als het recht voor onze voeten ligt.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *